Wat maakt dat therapiegesprekken werken? Deze vraag ben ik me pas zo’n 20 jaar geleden gaan stellen. Voor die tijd nam ik aan dat we het niet precies wisten maar wel konden vertrouwen op wetenschappelijk onderzoek. Alleen randomized controlled trials (RCT) waren doorslaggevend. Daarmee werd immers bewezen dat een bepaalde therapeutische interventie statistisch significante resultaten gaf en dus werkte. Statistiek was in mijn opleiding niet mijn favoriete vak en bij het lezen van peer reviewed wetenschappelijke publicaties ging ik er vanuit dat die peers goed gekeken hadden of het allemaal pluis was. Zo heb ik de meeste therapievormen die nu gangbaar zijn in mijn opleiding tot psychotherapeut en gedragstherapeut bestudeerd en een tijdje in de praktijk gebruikt.

In 1980 ben ik begonnen met hypnotherapie en directieve therapie, vervolgens gedragstherapie. Daarna kwam cognitieve therapie. Ik heb postdoctorale cursussen ontworpen en gegeven en er een paar artikelen en boeken over geschreven. Gaandeweg kwam ik er steeds vaker achter dat er veel cliënten niet (voldoende) opknapten hoewel ik vakkundig volgens de meest recente inzichten hard mijn best deed. Toen kwam ik Mindfulness Based Cognitive Therapy op het spoor en introduceerde een jaar later MBCT in ons land.

In die periode ontstonden er ook andere nieuwe therapiemethoden. Ze kregen de naam derde generatie gedragstherapie: aandachts- en acceptatie-gerichte gedragstherapie. De nadruk ligt vooral bij mindfulness niet op het repareren maar op herkennen en toelaten van ongewenste gedachten en gevoelens. Gedurende een jaar of 15 heb ik rond de 100 cursussen MBCT gegeven aan allerlei hulpverleners in de GGZ en daarbuiten. Het cursusmateriaal werd een boekje Mindfulness: een praktische training in het omgaan met gevoelens en gewoonten. Het wordt samen met de audio-oefeningen op mijn website veel gebruikt in individuele therapie en in groepstrainingen mindfulness bij recidiverende depressies.

Ook hier werd het me na het aanvankelijke enthousiasme steeds duidelijker dat MBCT niet beter werkt dan de andere therapeutische interventies die ook al niet zo geweldig doen. Dit was weer een nieuwe confrontatie. Ook uit meta-analyses die steeds meer verschenen bleek: er zijn  nauwelijks verschillen in effectiviteit tussen de diverse vormen van therapie en die werken maar heel matig in het verminderen van psychisch leed. Vorm je een beeld van twee voetbalelftallen plus de scheids- en de twee grensrechters die allemaal last hebben van een depressieve stoornis. Van de 25 depressieve mannen op het veld hebben er na afloop van hun psychotherapie 20 geen baat gehad bij hun behandeling en zijn er maar vijf van hun depressieve klachten af. Sommige mensen verslechteren zelfs door therapie; een bekende schatting is één op drie.

Wat ik gaandeweg wel steeds beter ben gaan begrijpen is dat het herkennen en toelaten van pijnlijke emoties in therapie de kern is waar het om draait. Het in de sessie zien, voelen en weten waar de pijn vandaan komt en dit toelaten zit in meer of mindere mate in alle vormen van psychotherapie. Dit bepaalt hoe goed een behandeling werkt.

Als er één ding is dat ik in vijfendertig jaar als psychotherapeut heb geleerd, dan is het wel dit: Als je je ervaring kan laten gebeuren, zal het zijn knopen loslaten en zich ontvouwen. Dit leidt tot een diepere, meer geaarde ervaring van jezelf. Hoe pijnlijk of eng je gevoelens ook lijken te zijn, je bereidheid om je ermee bezig te houden haalt je wezenlijke kracht naar boven en geeft je een meer positieve richting in je leven. Mijn werk, zowel met andere mensen als met mijzelf, heeft mij diepgaand overtuigd van deze waarheid, die het fundament van mijn therapeutische werk is geworden.
Vertaald uit: John Welwood – Unconditional presence: letting yourself have your experience.

Tim Carey, samen met William Powers een van de grondleggers van de Method of Levels, schreef in 2006 het eerste boek over de MOL: The Method of Levels: How to do psychotherapy without getting in the way. Hoe doe je psychotherapie zonder in de weg te zitten? Daarin zit dezelfde kern: therapeuten moeten hun cliënten niet in de weg zitten en ze helpen gedachten en gevoelens toe te laten. Meer niet! Mensen knappen op in therapie als hun emotionele reacties de ruimte krijgen. Als ze alles mogen denken, voelen en uiten. Dat kan alleen als hun therapeuten op dat moment hen en ook zichzelf niet in de weg zitten. Daarom moeten ook therapeuten in gesprekstherapie toelaten wat er in hun binnenwereld gebeurt. Pas dan zitten ze hun cliënten niet meer in de weg met eigen gedrag en kan het gesprek ‘stromen’. Dan kan de aandacht komen op de plaatsen waar de bron van de pijn is, kan het zich reorganiseren en kan psychisch lijden oplossen. Deze passage hieronder verwoordt poëtisch wat er gebeurt in therapie die werkt:

Als twee mensen elkaar ontmoeten en met elkaar in verbinding staan, dan delen ze dezelfde aanwezigheid van gewaarzijn. Er is op dat moment geen manier om dit gewaarzijn te verdelen in het jouwe en het mijne. Ik heb het hier niet over het voorbijgaan aan professionele grenzen of het mezelf verliezen in de problemen van mijn cliënt, maar meer over het in en door mezelf laten resoneren van de ervaring van de ander. Ik merk dat ik het meest geniet van mijn werk en ook het beste kan helpen als ik op het werken van de ander kan reageren alsof we samen op reis zijn – naar het ontdekken van de authentieke aard van menselijke aanwezigheid te midden van de turbulente wervelwinden van de geest. 

John Welwood (2000) Toward a Psychology of Awakening: Buddhism, Psychotherapy and the Path of Personal and Spiritual Transformation. Chapter 9: Psychotherapy as a Practice of Love.

Concreet betekent dit dat hulpverleners twee dingen goed in de gaten moeten houden: de (non)verbale reacties van hun cliënt én de reacties in hun eigen binnenwereld. Waarom de eigen reacties? Omdat die op hun beurt de drijfveer kunnen zijn van handelen uit eigen belang. Dat is altijd de behoefte aan controle. Bijvoorbeeld als de therapeut zich erg ongemakkelijk voelt bij heftige emoties, zich sterk verantwoordelijk voelt, risico’s wil vermijden, waardering zoekt, enzovoort. Dan komt hij in de doe-stand en gaat hij dingen doen om iets te veranderen waardoor de ander zich niet meer vrij kan uiten. Kortom: de ‘ik’ van de therapeut moet eruit!

Dat is erg moeilijk voor therapeuten die opgeleid zijn in een wereld waarin alles dat er psychisch ‘mis’ is gerepareerd moet worden alsof het een kapot onderdeel is. Zo werkt dat niet bij mensen. Mensen die psychisch lijden hebben mensen nodig die hen helpen om hun eigen herstel op gang te brengen. Mensen die zichzelf kunnen helpen zijn de beste helpers.